Ara’s zijn extreem slim en kunnen geluiden — inclusief menselijke woorden — nadoen. In het wild gebruiken ze hun stem juist om met hun partner en groep over grote afstanden contact te houden.
De tapijtslang (Boa constrictor) doodt zijn prooi niet door te “verpletteren”, maar door de bloedcirculatie stil te leggen. Bij elke ademhaling van de prooi knijpt hij iets strakker, totdat het hart niet meer effectief kan pompen.
De witkeeltoekan (Bigi Kuyake) gebruikt zijn grote snavel niet alleen om fruit te eten, maar ook om warmte kwijt te raken. De snavel werkt als een soort “airco” waarmee hij zijn lichaamstemperatuur regelt.
De labaria (Bothrops atrox), ook wel de lanspuntslang, heeft warmtegevoelige zintuigen in zijn kop. Daarmee kan hij zelfs in het donker precies warmbloedige prooien zoals muizen opsporen.
De zwarte hokko (Powisi) speelt een belangrijke rol in het regenwoud: hij verspreidt zaden van vruchten die hij eet. Daardoor helpt hij actief mee aan de groei en vernieuwing van het bos.
De Surinaamse ratelslang (Saka Sneki) gebruikt zijn ratel niet om aan te vallen, maar juist als waarschuwing. Hij laat zo horen dat je te dichtbij komt, zodat hij conflicten liever kan vermijden dan aangaan.
Bij roodhandtamarins helpt meestal niet alleen het ouderpaar met de jongen, maar ook andere groepsleden. Vooral mannetjes dragen de jongen vaak op hun rug — een mooi voorbeeld van “oppassen” binnen de groep.
De zwartbuikfluiteend (Skurki) staat bekend om zijn hoge, fluitende roep. In plaats van het typische “kwaak”-geluid van eenden, communiceren ze met een helder gefluit dat vaak in groepjes tegelijk te horen is.
De black hawk-eagle (Spizaetus tyrannus) heeft een opvallende kuif die hij omhoog zet als hij alert of opgewonden is. Daarmee lijkt hij groter en indrukwekkender, wat helpt om rivalen af te schrikken.
De roodkopkardinaal leeft vaak langs rivieren en moerassen. Hij bouwt zijn nest laag boven het water, zodat hij roofdieren makkelijk kan ontwijken. Hij heeft een heldere, melodieuze zang die ver over het water draagt en vaak al van grote afstand te horen is.
De zwarte slingeraap (Kwatta aap), in Suriname ook wel de bosduivel genoemd wordt, hij gebruikt zijn lange, sterke staart als een extra hand. Met deze grijpstaart kan hij zich moeiteloos door de boomtoppen slingeren, takken vastpakken en zelfs voedsel vasthouden terwijl hij zich voortbeweegt.
De ocelot heeft een uniek vlekkenpatroon dat bij elke kat anders is, net zoals een vingerafdruk bij mensen. Geen twee ocelots hebben precies hetzelfde patroon, waardoor elke ocelot eenvoudig te herkennen is.
De tapir wordt ook wel de “tuinman van het regenwoud” genoemd. Dit komt omdat hij tijdens het eten zaden verspreidt via zijn uitwerpselen. Hierdoor helpt de tapir actief bij de groei van nieuwe planten en bomen en speelt hij een belangrijke rol in het behoud van het ecosysteem.
Het gordeldier is één van de weinige zoogdieren met een natuurlijk pantser! Zijn lichaam is bedekt met harde, benige platen die hem beschermen tegen roofdieren. Sommige soorten, zoals het driebandgordeldier, kunnen zich zelfs volledig oprollen tot een bijna perfecte bal wanneer ze zich bedreigd voelen.
De witte pauw is geen albino, maar een kleurvariant van de blauwe pauw. Zijn prachtige witte verenkleed ontstaat door een genetische mutatie die de kleurpigmenten onderdrukt, terwijl hij nog steeds normale oogkleur en gezondheid heeft.
De gestreepte bosuil is een meester in stilte. Dankzij zijn speciale veren kan hij vrijwel geruisloos vliegen, waardoor zijn prooi hem nauwelijks hoort aankomen. Deze uil jaagt zowel overdag als ’s nachts en speelt een belangrijke rol in het ecosysteem door het in balans houden van kleine dieren en insecten.
De zwartmaskerbuizerd wordt vaak gezien in paren en staat bekend om zijn sterke band met zijn partner. Ze blijven meestal lange tijd bij elkaar en verdedigen samen hun territorium.